Het Geslacht Dieleman

 Nagenoeg alle "Dielemannen" in Nederland, de VS, Canada en Australië stammen af van 

François Dieleman en zijn echtgenote Janneke Leys

François werd geboren in Zelzate en aldaar gedoopt (RK) op 28 januari 1626.
Doopgetuigen waren Joannes van der Voort, in nomini Petri van der Winckele et Elisabeth, uxor Jacobi Snoeck.
Zijn ouders waren Petrus Dieleman en Joanna de Stoppelaere. 

‘Francoy Tieleman’ komt voor het eerst voor in Nederland op 7 juli 1646, wanneer in de Actaboeken melding wordt gemaakt van het feit dat hij op de bruiloft van Clays Aernoutse dronken is geweest en zijn meester, bij wie hij inwoont, schandelijk heeft uitgescholden. Het begon dus allemaal niet zo fraai.

Hij wordt door de kerkeraad ontboden en bestraft, waar hij zegt ‘dat het hem van herten leet was, belovende nimmermeer sulcx meer te doen’, waarop hij weer tot het avondmaal wordt toegelaten.
Op 26 oktober 1647 trouwt hij met Janneke Leys, die is gedoopt (NH) in Hoek op 3 augustus 1631. Janneke was de dochter van Jan Leys en Mayken van der Hoven.
In 1649 is François opnieuw in opspraak, wanneer hij beschuldigd wordt enige gerst gestolen te hebben van Lauwereys Leys, een familielid van zijn vrouw. 
Beiden verzoenen zich voor de kerkeraad.

Op 28 juni 1654 heeft hij een geschil met een zekere Jan Kerckaert, die geen lidmaat van de Hervormde Kerk te Hoek is en beide hebben ‘schandelijck met den anderen gevochten’, waarna François ‘in betooninge der wrake in het schouwkleet zou hebben gesneden’.
De kerkeraad spreekt hem hierover aan en daarbij beweert hij zich inmiddels met Kerckaert verzoend te hebben. 

Nog geen jaar later, op 30 mei 1655 heeft hij het aan de stok gehad met François de Keukelaar, zijn buurman in de Willemskerckepolder. Beide zijn ‘seer leelijck in woorden gevallen’ waarop François met ‘een rijfken’ zou zijn geslagen en in woede ‘sijn messe op hem soude hebben getrokken’.
François had de Keukelaar uitgescholden voor ‘een schelm’.
Zij verzoenen zich voor de kerkeraad, maar moeten zich onthouden van het eerstvolgende Avondmaal, ‘totdat uit hun wandel gebleken zal zijn dat hun verzoening van harte is’. 

Op 3 oktober 1655 is François afwezig geweest bij het Avondmaal, waarna hem door de kerkeraad naar de reden daarvan zal worden gevraagd.
Op 11 februari 1657 is hij weer 2 à 3 maal afwezig geweest.
Op 10 maart 1657 is hij ontboden voor de kerkeraad maar niet verschenen en op 25 maart 1657 blijkt hij weer eens onenigheid te hebben, nu met zijn stiefschoonvader Hyeronimus van Kerkcfort. Na verzoening wordt hij ernstig vermaand ‘tot Godtsalicheyt’ en weer tot de Tafel des Heren toegelaten. 

Op 30 juni 1657 is het alweer mis en heeft hij ‘querellen’ met Matheus Westelijnck.
Als hij voor de kerkeraad ontboden wordt gedraagt hij zich ‘qualijck, ja seer grimmig’.  De zaak wordt keer op keer uitgesteld wanneer François weer beweert met de predikant niet van doen te hebben wordt hij opnieuw ontboden. Maar verschijnt weer niet, etc.

Het is dan inmiddels 2 december 1657. Op 6 april 1658 verschijnt hij tenslotte eens en belooft beterschap ‘van een stichtige wandel’.

Op 26 december is de beurt aan zijn vrouw Janneken Leys die onenigheid heeft met Damis Janssen. Beide zijn niet genegen zich te verzoenen en de kerkeraad zal hen opnieuw ontbieden. 

Op 3 januari 1660 heeft François weer onenigheid met Matheus Westelijnck .
Zij worden gedwongen zich te verzoenen, maar François toont zich onwillig en de kerkeraad oordeelt dat hij zich ditmaal nog maar moet onthouden van het Avondmaal en dat hetzelfde geldt voor zijn vrouw, voor dezelfde ‘ongeseggelijckheyt’, waarop François, ‘misnoegen nemende, heeft de vergaderinge aengedient dat hij de bruij van haar hadde en dat hij haar soude betrecken voor de classis’.

Op 3 april 1660 zijn de gemoederen weer wat bedaard en komt François ‘leedwesen’ betonen, waarop hij en zijn vrouw, na vermaning weer worden toegelaten tot het Avondmaal. 

Op 27 september 1660 is het echter alweer mis. Janneken heeft onstuimig gescholden tegen de zoon van Matheus Westelijnck en François heeft het weer eens aan de stok met zijn buurman, François de Keukelaar. Mogelijk had deze ruzie te maken met de koop van een stuk land in de Willemskerckepolder door François Dieleman van François de Keukelaar, welke transactie op 16 maart 1660 tot stand gekomen was.

Op 8 november 1660 worden er twee ouderlingen aangewezen om de ruzie te beslechten en op 6 december 1660 verschijnen beide partijen met hun echtgenotes en worden na vermaning en verzoening weer in genade aangenomen.

Dat er van een echte verzoening echter geen sprake was, blijkt op 7 november 1661, wanneer de acta melding maken van het feit dat in april 1661 beide partijen, François de Keukelaar met zijn vrouw en François Dieleman met zijn vrouw op de vuist zijn gegaan en dat ‘de bloedende partij’ zich beklaagd had bij de magistraat van Terneuzen. De kerkeraad wacht het oordeel van deze magistraat af.
Op 26 juni 1662 zit François de Keukelaar nog steeds te wachten op het oordeel vanuit het stadhuis en verzoekt hij de predikant de magistraat hier eens op aan te spreken.

Op 26 december 1662 verzoekt François de Keukelaar weer toegelaten te worden tot het Avondmaal, waarop beide partijen op 1 januari 1663 voor de kerkeraad ontboden zijnde, verschijnen, maar François Dieleman zich opnieuw ongezeggelijk gedraagt.

Op 31 maart 1663 wordt François de Keukelaar weer toegelaten tot de Tafel des Heren.

Van François Dieleman horen we in februari 1664 dat hij de predikant en de ouderling Jacob Blieck bij hun ‘ommeganck’ (huisbezoek) heeft gezegd dat zij hem bij zulke gelegenheid niet meer hadden aan te spreken. 

Daarna horen we niets meer. Waarschijnlijk heeft hij zich voor zijn dood (eind 1665-begin 1666) niet meer met de kerk verzoend.

Pas op 30 juni 1666 verzoekt Janneken Leys, dan inmiddels weduwe van François Dieleman, via haar stiefvader Hieronimus van Kerkfort weer te worden toegelaten tot het Avondmaal.
De kerkeraad ontbiedt haar daarop op 3 juli 1666. Zij toont ‘leetwesen over haar schandaal in de acte van den 2 julij vermeldt 1661, als oock over haare langdurige abstinentij van den Tafel des Heeren’.
Na rustige vermaning wordt zij weer toegelaten.

Op 2 oktober 1666 heeft zij echter weer al woorden met Jacob de Lange en zijn vrouw en wordt zij alweer van het Avondmaal uitgesloten.
Op 26 december 1666 wordt zij weer toegelaten (RAZ, Actaboeken Hoek 1590-1696) 

François Dieleman komt hier niet direct naar voren als een voorbeeldige en inschikkelijke man. In ieder geval wenste hij zich niet te schikken naar de Calvinistische orde en regel van de kerkeraad van Hoek.Misschien had dat ook te maken met zijn Rooms-katholieke opvoeding.
Het is goed mogelijk dat hij niet uit innerlijke overtuiging tot de Hervormde kerk is overgegaan, maar meer gedwongen door de omstandigheden omdat er geen andere mogelijkheid was.
  

In de bovenomschreven periode van 1646 tot 1666 werden in het gezin François en Janneke ook nog eens 8 kinderen geboren waarvan er 5 jong overleden. 

  1. Pieter, gedoopt: 27 december 1648, overleden 30 december 1697
  2. Jan, gedoopt: 26 februari 1651,  jong overleden
  3. Johannes, gedoopt: 18 augustus, 1652, jong overleden
  4. Janneke, gedoopt 31 oktober 1655, overleden vóór 11 oktober 1706
  5. Johannes (Jan), gedoopt 17 februari 1658, begraven 31 juli 1712
  6. Adriaan, gedoopt 11 juli 1660, jong overleden
  7. Cornelis, gedoopt 15 oktober 1662, jong overleden
  8. Maria, gedoopt 14 juni 1665, jong overleden

Een sociaal leven met veel conflicten en een huwelijk waarin maar liefst 5 van de acht kinderen jong overleden geven bepaald niet een beeld van een bijzonder gelukkig mens.
Daarbij kwam nog dat ook in materieëel  opzicht François niet al te succesvol was, hoewel hij zich, gedeeltelijk met behulp van het erfdeel van zijn vrouw wel opwerkte van boerenknecht tot eigen baas met een klein boerenbedoeninkje met bijna 8 gemeten grond, echter zwaar belast.

Met Kerst 1648 kocht hij van zijn zwager Pieter de Bruijne en diens vrouw Gooltgen Leijs, halfzuster van Janneken, hun erfdeel in de nalatenschap van Jan Leijs, te weten 1 gemet 157 roeden grond in de Coudepolder en in Willemskerckepolder voor een bedrag van £ 48-14-11 Vls. De koop wordt pas op 7 maart 1650 geregistreerd.

Op 4 april 1658 verkochten Isaack Luijck en zijn vrouw, Maeijken Leijs, zuster van Janneken, 2 gemet 45 roeden land in de willemskerckepolder aan François voor een bedrag van £ 60 Vls.

Een dag tevoren , op 3 april 1658 had François zich borg gsteld voor Isaack Luijck, die schipper was, voor de koop van een cromstevenschuijt van Adriaantgen Frans, weduwe van Adriaan Bastiaensen, voor een bedrag van £ 83-6-8 Vls

Op 16 april 1660 kocht hij nog eens 2 gemet 146 roeden land in de Willemskerckepolder van François Keuckelaer voor £ 70-15-6 Vls.
Mogelijk was deze koop aanleiding tot een hooglopende ruzie tussen deze buren in de Willemskerckepolder, die toch al niet zo goed met elkaar konden opschieten zoals we al gezien hebben.

Op hetzelfde moment sloot hij echter een lening af van 450 Carolus gulden bij Cornelis de Poorter te Vlissingen, waarvoor hij zijn hele bezit belastte: 2 gemet 145 roeden en nog eens 7 gemet zaai- en weiland ‘met den timmer van huijs ende schuijre, gelegen in de Willemskerckepolder , daer hij comparant woont’. 

De 2 gemet 145 roeden verkocht François op 29 mei 1665 weer en wel aan Frederick van Tatenhove, voor een bedrag van £ 100 Vls.

Op 7 maart 1663 verklaarden François en Janneken een bedrag van £ 116-13-4 Vls. schuldig te zijn aan François Recxsloot te Vlissingen.

François tekende steeds met een handmerk, vrijwel hetzelfde als het handmerk dat zijn zoon Jan later gebruikte. Janneke tekende met haar handtekening.

Wanneer François inmiddels is overleden lost Janneke op 9 maart  1667 de schuld van £ 116-13-4 Vls. af aan mr Dionisius Recxsloot, advocaat te Vlissingen, maar sluit daartoe een nieuwe lening af bij Jan Pieters de Koe, eveneens te Vlissingen, van £ 133-6-8 Vls.

Tenslotte sluit zij op 23 juni 1667 nog een lening van £ 20. af bij Cornelis Roels, waarvoor zij opnieuw 7 gemet grond met haar huis in de Willemskerckepolder belast, waarop reeds een hypotheek van 700 Carolus gulden ten profijte van Jan Pieters de Jonge ( blijkbaar ook geheten Jan Pieters de Koe)

Beide hypotheken bestaan nog op het moment dat Janneke overlijdt in 1679, te samen 800 Carolus gulden om precies te zijn op 6 gemet 288 roeden grond met het boerderijtje in de Willemskerckepolder.

François en Janneke hadden dus niet zo best geboerd. 

Het is des te opmerkelijker dat hun zoon Jan en hun kleinzonen François en Christiaan het zoveel beter deden.